Het uur van de waarheid

April is sinds een aantal jaren in Nederland en België: de maand van de filosofie. Inmiddels zijn vrijwel alle activiteiten in dat kader afgelast of opgeschort.
Elk jaar heeft die maand van de filosofie een centraal the­ma; dit jaar is dat: ‘Het uur van de waarheid’. Door – dankzij – de Corona-crisis krijgt die titel plotseling een bete­kenis terug die tot voor kort nauwelijks aan de orde werd gesteld. Tot nu toe was het in pu­blicaties en aankondigingen vooral ‘de waarheid’ die cen­traal stond: wat is waarheid in tij­den van fake news, alternative facts, relativering van we­ten­schappelijke ken­nis? Wat betekent waarheid als iedereen in zijn eigen bubbel zijn eigen waarheid heeft? Het zijn vragen die in eigentijdse termen de eeuwige vraag van de filosofie herhalen; de vraag of er zoiets als ‘de waarheid’ is en wat dat dan eigenlijk is, ‘waarheid’.
Maar de uitdrukking ‘het uur van de waarheid’ heeft – wel beschouwd – helemaal niet zo­veel te maken met die kennistheoretische en metafysische vragen. Zij slaat op een beslis­send moment, het ogenblik waarop – los van alle vragen over wat waarheid is – een waar­heid zich toont. Het uur van de waarheid is het ogenblik waarop alle praten overgaat in han­delen en waarop metterdaad zal blijken, zal gebeuren, wat in alle theorie slechts werd voor­gesteld en mogelijkheid bleef. Het is het uur U, D-day, l’heure H – allemaal uitdrukkingen die door hun tautologie duidelijk maken dat nu niet meer over iets gesproken wordt, een spre­ken dat altijd dat waarover gesproken wordt op afstand stelt, maar dat het nu te gebeuren staat, dat het er nu op aan komt. De crisis plaatst ons in zekere zin in dat ogenblik: hoe hou­den we ons overeind, hoe verhouden we ons tot de dreiging, de onzekerheid, de chaos, de stilte, de rust…
Misschien mogen we deze betekenis van de uitdrukking ‘het uur van de waarheid’ verbinden met een centrale these uit de laatste collegereeks van Michel Foucault, zoals gepubliceerd in De moed tot waarheid (Amsterdam 2014). In het aangezicht van de dood die hij al in zijn li­chaam voelde, besteedde Foucault zijn laatste reeks colleges aan de figuur waar elke filosoof toch altijd weer aan refereert: Socrates. Foucault schetst hoe Socrates niet zozeer het begin van de filosofie markeert, maar een beslissend moment in haar ontwikkeling. Socrates over­wint de sofisten door een vraag, de vraag naar de waarheid. Sofisten waren de meesters van de waarschijnlijkheid: zij konden iets laten verschijnen als waar, door hun retorische vaardig­heden. Socrates bracht ze in het nauw door vast te houden aan de vraag of dat wat waar (goed, mooi, sterk, lekker) lijkt, ook werkelijk waar (etc.) is. Die vraag naar de waarheid vormt volgens Foucault vervolgens het kruispunt waarop twee wegen uiteengaan.
Enerzijds de weg van Plato en de filosofie die canoniek geworden is, de weg van de theorie, van de kennis, van het denken, waarin het steeds op een of andere manier draait om de vraag wat waarheid is.
Foucault wil de andere weg in herinnering roepen: de weg van de cynici, die zich ook op Socrates beroepen, maar die zijn vraag naar de waarheid opvatten als oproep tot een praxis van waarachtigheid. Zij schreven geen tractaten, maar onderrichtten door hun wijze van leven en handelen.
De Corona-crisis die ons aan deze betekenis van de uitdrukking ‘het uur van de waar­heid’ herinnert, kan misschien duidelijk maken dat dat beslissende moment in de geschiede­nis van de filosofie, niet zozeer een eenmalig moment was, maar dat wij voortdurend op beide wegen tegelijk staan: niet alleen op de weg van de ware kennis (hoezeer die ons ook zal moeten helpen om de crisis te overwinnen), maar ook op de weg van een leven in waar­achtigheid, waarin we aanvaarden dat we niet alles onder controle hebben, en waarin we onze onzekerheid, onze fragiliteit, onze sterfelijkheid onder ogen zien.